Transbalkan 2010

Dag 0: Apeldoorn – Skopje (Macedonië)

We vliegen met de JAT van Düsseldorf via Belgrado naar Skopje. Dat geeft namelijk, in vergelijking met vliegen vanaf Schiphol, anderhalf uur meer overstaptijd in Belgrado. En daarmee moet het JAT lukken om niet alleen ons, maar ook onze fietsen over te zetten op de vlucht naar Skopje. Vanuit onze positie in de boardingroom op het vliegveld van Belgrado zien we onze fietsen, met nog wat andere grote pakketten, een beetje afzijdig van het vliegtuig staan. De JAT-er ter plekke stelt ons gerust: alle bagage op die kar gaat mee. Nog niet helemaal gerustgesteld spreken we af dat René zo snel mogelijk instapt en ik als laatste. Zowel hij als ik vragen bij het grondpersoneel na of onze fietsen nu wel of niet meegaan. Wij krijgen beide de bevestiging , van zowel de sjouwer als diens opzichter, dat alles uiteraard meegaat. Gelukkig. Eenmaal op onze stoel in het vliegtuig lijkt het erop dat onze fietsen nog op de kar staan. Maar dat is moeilijk te zien. Dus maar even aan de charmante stewardess gevraagd. Zij loopt de cabine in en komt terug met de mededeling van de gezagvoerder zelf dat alles meegaat. Als we weg taxiën meen ik toch onze fietsen nog op de kar te zien staan. Dat zal toch niet!? Een laatste check bij de oppersteward: “Had dat maar eerder gezegd, dan had ik nog iets kunnen doen……”.

Hiermee wordt onze eerste etappe verkwanseld. We wilden van het vliegveld (ten zuidoosten van  Skopje) naar ons hotel fietsen (ten noordwesten van Skopje). Vanaar hebben we een mooi vertrekpunt voor onze eerste etappe naar Mavrovo. Nu gaan we maar per taxi naar het hotel Vodno, zonder de zekerheid onze fietsen ooit nog te zien. Op het vliegveld wilden ze geen harde toezeggingen doen: belt u vanavond maar als de laatste vlucht binnen is. Gelukkig heeft hotel Vodno een sympathieke receptionist die ook een paar woorden Engels spreekt. Eerst maar even een biertje en een hapje eten. Een leuke wandelvakantie is ook nooit weg. Toch?

’s Avonds komt het verlossende bericht: de fietsen zijn er! Maar het is niet zeker dat ze bij het hotel afgeleverd kunnen worden. Of we ’s ochtends even terug kunnen bellen. Tja, wat doe je dan?

Dag 1: Skopje – Mavrovo (Macedonië)

Zondagochtend zo snel mogelijk gebeld. Helaas, de douane wil de dozen inspecteren en mag dat alleen doen in ons bijzijn! Geweldige smoes om de fietsen niet te hoeven brengen. Geluk bij een ongeluk: onze receptionist is ook taxichauffeur! Hij brengt ons naar het vliegveld. Na een half uur heeft meneer de douane eindelijk tijd. Hij haalt de fietsdozen door de scanner, informeert naar de waarde  van de fietsen en laat ons met  een goedkeurend knikje de dozen mee naar buiten nemen. Voor de duidelijkheid: het vliegveld van Skopje (“Alexander de Grote” geheten) is weinig groter dan Teuge.

Omkleden, fiets uitpakken en in elkaar zetten. Met enige hulp van mijn kant slaagt René erin om het ventiel van een van zijn binnenbanden te mollen. Vervolgens blijkt ook nog eens zijn voorremschijf verbogen. Die krijgen we niet recht, hetgeen inhoud dat René 9 dagen lang met een slecht lopend voorwiel fietst. Maar ja, als je de avond tevoren nog vreesde je fiets helemaal nooit meer te zien, dan valt dit allemaal wel mee. Uiteindelijk fietsen we om goed 11 uur weg bij het vliegveld: de Transbalkan is begonnen!

Nauwelijks 300 meter onderweg houdt een meneer bij een slagboom ons tegen: wij mogen niet over de beoogde weg fietsen. Dat is privéterrein. De enige ander weg richting Skopje is de snelweg. Vooruit dan maar, nood breekt wet. Eerlijk is eerlijk: de automobilisten accepteren ons op de snelweg. Geen enkele claxon gehoord. Ga maar eens de A2 op met je fiets! Ook zien we op de snelweg meteen de eerste en laatste richtingaanwijzers van Macedonië: linksaf Athene, rechtsaf Skopje. Makkie.

Het is zondag in dit overwegend orthodox-christelijk land. Dus komt de vraag op: zijn er winkels open? We hebben eten en drinken (water!) nodig. Bijkomende vraag: accepteren ze wel euro’s hier?

Al snel komt het antwoord op beide vragen: ja!  Allerlei kleine winkels en kiosken verkopen volop eten en drinken. En zijn bereid euro’s te accepteren als wij het goed vinden dat we Dinar terug krijgen. Natuurlijk! Gelukkig hadden we vooraf bedacht dat het handig zou zijn om kleine coupures mee te nemen. Een briefje van vijf euro is ruim voldoende voor de proviandering. Met deze ervaring op zak kan het niet meer stuk: gaan!

Omdat we later dan gepland zijn vertrokken en bovendien 30 km meer moeten fietsen besluiten we niet naar hotel Vodno te gaan om daar de oorspronkelijke route op te pakken. Nee, we volgen de provinciale weg onderlangs de heuvels en steken dan later wel de bergen in. Dat blijkt een wat minder gelukkige keus. Ik houd niet zo van asfalt fietsen boven de 30 graden. Het wordt beter als we een parallelweg vinden. Onze lunchpauze maakt veel goed. Een overschaduwd terras, vriendelijke mannen (nee, géén vrouwen op het terras) en live muziek. Gehaktbrood met cola en tevredenheid dat we aan het fietsen zijn in Macedonië.  We pakken nog een stukje asfalt, tot over de rivier xxx en besluiten om daarna een linksaf te slaan de bergen in. Volgens mijn Google-earth-kopietjes moet dat kunnen.

De eerste afslag brengt ons in een klein dorpje. Maar eens even de weg vragen. Twee mannen,met een zak ijsjes onderweg naar huis (denk ik), brengen ons naar de enige man die een beetje Duits spreekt. Terwijl de ijsjes smelten leggen 8 mannen ons uit hoe we moeten fietsen: terug naar het asfalt! De bergen in is onmogelijk! Lichtelijk teleurgesteld gaan we terug. We vermoeden dat we hier wel degelijk de bergen in kunnen, maar ja. We besluiten dan maar de volgende afslag te nemen en niet meer de weg te vragen. Dat gaat gedeeltelijk goed. We nemen de afslag, vragen toch de weg, maar slaan vervolgens de raad om het asfalt te nemen in de wind. De jongens weten het beter! Iedereen krijgt gelijk! Je kunt wel degelijk via de bergen, maar hele stukken zijn niet te fietsen. En zo wordt het almaar later.

Tijd om te eten. Niet alle restaurantjes accepteren hier euro’s. Eindelijk vinden we in xxx de Eurowinkel. Koek, ijs en cola. Foto’s maken en laten maken. Vriendelijke mensen. En snel weer verder. We moeten namelijk nog een heel stuk door de bergen voor we in de buurt van Mavrovo zijn. En vermoedelijk is het hier al rond 21 uur donker, we zitten flink zuidelijker en oostelijker dan Apeldoorn.

Tegen beter weten in vragen we nog een keer de weg. Nee, we kunnen niet rechtdoor de bergen in, we moeten terug en dan links. Doen we dus. Maar dan komen we erachter dat we via de regionale verkeersader gestuurd worden. We besluiten om te draaien. We komen de man weer tegen die ons de andere kant op heeft gestuurd. Hij probeert ons terug te schreeuwen, wij wuiven vriendelijk, maar gaan voort op de door ons gekozen koers! Helaas, één dorpje verder zijn er zoveel paadjes dat we toch even moeten vragen welk pad wij moeten hebben. Opnieuw wordt ons duidelijk gemaakt dat terug keren en het asfalt nemen de enige manier is om in Mavrovo te komen! We beginnen hem te knijpen. Als we nog voor donker in Mavrovo willen zijn, moeten we opschieten. We besluiten het asfalt te nemen.  Wat volgt is een vreselijke tocht over een veel te drukke weg. Mavrovo ligt aan een stuwmeer op een behoorlijke hoogte. Het wordt pas mooi als we in het donker afdalen naar het meer. Honderden vuurvliegjes begeleiden onze afdaling. Stoppen bij het eerst hotel. Douchen en eten. We hebben er 130 km opzitten, met veel asfalt en veel gedoe. Morgen wordt alle anders…..

Dag 2: Mavrovo  – Kükes (Albanië)

Meteen wat water en chocola gekocht bij een kraampje tegenover het hotel. Ook m’n 3e bidonhouder gesloopt. Die zou met een klem om de zadelbuis vast moeteen zitten,maar ik kreeg hem niet goed. Gisteren heel de dag aan geërgerd. Prullenbak en klaar. ’t Zonnetje schijnt en hoera, we mogen eerst 10 km afdalen. Verrassend want ik had me niet gerealiseerd dat een stuwmeer hoog ligt… Ook weet ik dat we vandaag richting de 2000 meter gaan, dus alles wat ik nu afdaal moet ik ook weer klimmen.

We vinden het spannend. We gaan namelijk van Macedonië naar Kosovo over een zandpad. Wat als de grens gesloten is?

Na 10 km staan we bij een zijarm van de rivier die het stuwmeer uit loopt. Die zijarm begint in het grensgebied met Kosovo. We zullen de stroom volgen. 200 meter verderop loopt een grenswacht. Blauw uniform, geweer over de schouder. Zouden we hier al niet verder mogen? Wij knikken vriendelijk goedendag, hij knikt vriendelijk terug. Niks aan de hand. We vervolgen onze weg door een prachtig dal. Genieten en dat zonder iemand tegen te komen! Na een kilometer of 10 komen we bij een splitsing. Tja, ook de rivier splitst hier. Onze kopie van Google Earth geeft geen uitsluitsel. Het lijkt erop dat we links aan moeten houden. En dan komt er een auto vanuit het dal omhoog. De eerste die we in dit dal zien. We besluiten de weg te vragen. In de jeep zitten 4 soldaten. Ze stoppen met tegenzin, maar net lang genoeg om ons duidelijk te maken dat we voor Kosovo rechts aan moeten houden! Gered. Wanneer houdt toeval op?

Langzaamaan wordt het dal breder. Steeds meer gras en bloemen. Veel water ook. En daar, ja, dat gebouwtje dat moet de grens zijn. En nu maar zien dat we erover mogen. De slagboom is dicht. Het gebouwtje ook. Niemand te zien. Foto maken en even rondkijken: dit is per slot de eerste keer van m’n leven dat ik in Kosovo kom. De vlag van Macedonië wappert fier. Een paar honderd meter verder zien we op een heuvel een uitkijkpost van Kfor, de Europese missie die er voor moet zorgen dat Kosovo uit handen van de Serviërs blijft. Tegen mijn verwachting in blijkt de grens niet het hoogste punt. We moeten nog even flink door klimmen in Kosovo. Maar met een zonnetje en een lekker temperatuurtje is dat allemaal best te doen. Het is lastig afstanden in te schatten met mijn kopieën van Google. Ze hebben namelijk allemaal een andere schaal. Na een lunch van brood, worst en chocola rijden we naar beneden naar Restelica de bewoonde wereld van Kosovo. We zien kleine boeren woningen, waterdicht gemaakt met tenten van vluchtelingenhulp. Zeer duurzaam, maar ook armoedig. Het dorp valt mee. Er wordt aan alle kanten gebouwd en gerepareerd. Ik denk dat hier wel wat hulp naar toe is gegaan. Na een stop voor een ijsje en een praatje (?) met de dorpsjeugd gaan we verder. We besluiten iets te eten in Krușevo, een paar kilometer verder en ook de plaats waar we het zandpad naar Albanië moeten zien te vinden. We vinden een restaurantje. We kunnen echter geen wijs uit de kaart en de vriendelijke eigenaar spreekt ook geen woord over de grens. Geen nood, hij nodigt René uit mee te gaan naar de keuken. Daar tilt hij de deksels van alle pannen en moet René maar aanwijzen wat wij willen eten. Een heerlijk soepje, rijst, salade en brood. En dat weg gespoeld met een blikje Coca Cola.

Het zandpad laat zich makkelijk vinden. Een pittige, maar niet al te lange klim brengt ons bij de volgende spannende grens: die met Albanië. Grote rotsblokken versperren de weg. Hier komt geen auto langs! Daarachter een spiksplinternieuw douanegebouw. Nog niet in gebruik. Geen mens te bekennen. Wel vallen de geschutskoepels op. We zien er verschillende in de velden staan, allemaal met de schietopening naar de grens. Zouden die nog gebruikt worden? De eerste naderen we voorzichtig. Leeg. We komen er de komende dagen honderden tegen. Allemaal leeg. Wat zijn ze hier bang geweest voor hun buren!

Op ons Google-kaartje kun je goed zien hoe we moeten fietsen. In het echt blijken er meer zandpaden te zijn dan de satellietfoto liet zien. Gelukkig staan er een paar jongens koeien te hoeden in het veld. Na een korte babbel over het WK-voetbal wijzen ze ons de weg naar Kükes. Vanaf dat moment hebben we een fantastische afdaling over zandpaden een kloof in. Kilometers lang hotsie-knotsie. Af en toe vriendelijk zwaaiend naar mensen die op het land bezig zijn. Wij krijgen de indruk dat hier nog niet vaak mountainbikers langs zijn gekomen. Misschien zijn we wel de eersten?

Pas op het laatse moment bereiken we een min of meer verharde weg. Ook hier wordt aan gewerkt. Na een kleine inschattingsfout moeten we ook weer 3 kilometer over de snelweg naar Kükes. Maar ook nu weer geen commentaar van de automobilisten! Op goed geluk een zandpad genomen en we komen in het centrum van Kükes uit. Vlakbij het hotel dat we bedacht hadden.

Douchen, biertje, eten. Hoe simpel kan het leven zijn. ’s Avonds nog even het dorp in, net zoals ongeveer alle Kükenezen. Het blijkt de gala-avond te zijn van de plaatselijke MAVO.

Dag 3: Kükes – Bajram Curi (Albanië).

Dit wordt een taaie dag met veel asfalt en veel zon. Dat alles wordt goed gemaakt door het simpele feit dat je in Albanië fietst. Het land is in ontwikkeling. Met alle bijzonderheden van dien. Zo komen we na toch een heel aantal kilometers over zandpad, op een prachtig stuk asfalt. En wel bij het dorp Kam. Kam blijkt niet meer te zijn dan een verlaten fabriek. Met daarnaast drie gedeeltelijk verlaten flats (waarschijnlijk ooit gebouwd voor de fabrieksarbeiders). Er lijken nog eens tuk of vier gezinnen te wonen die het moeten hebben van wat landbouw en veeteelt. Maar wel een schitterende asfaltweg met goed afwatering en vangrails. Deze weg kunnen we tot vlak voor Bajram Curi volgen.

Net voor BC duiken we een rivierdal in. We komen bij een houten brug met stalen balken. Grote delen van de planken zijn weggerot, en om te voorkomen dat auto’s er over heen gaan, ligt er een grote berg zand aan de overkant. Gelukkig zijn we op de fiets…..

We rijden Bajram Curi binnen op een brede asfaltweg die ligt omhoog loopt. Links en rechts winkeltjes, marktkraampjes  en koffiehuizen. Levendig. De weg eindigt op een groot plein waar wat koeien rond slenteren. Ook staat er ergens nog een politieagent. ’n Beet je verloren ogend.

Ons hotel blijkt ook aan dat plein te liggen. Modern met een goed werkende airco.  De eigenaar verzekert ons dat onze fietsen, die we op het overdekte terras kunnen neerzetten, niet op slot hoeven. “Die worden hier niet gestolen.“ René, als echte Nederlander, sluipt later terug en gooit er toch een kabelslotje omheen. Douchen, eten, rondslenteren en voetbal kijken. Wat een leven!

’s Ochtends willen we ontbijten aan de rivier. Idyllisch plekje. Om toch aan genoeg caffeïne te komen gaan we eerst even koffiedrinken. We moeten één jongetje vermanend toespreken: hij kan maar niet van onze fietsen afblijven! Begrijpelijk. We vinden wat bananen, sap, wat worst plus een yoghurtje. Nu nog brood. Nergens te vinden. Dat kan toch niet? Effe vragen. Een vriendelijke jongen verlaat z’n winkeltje en neemt ons mee. Dat  is inderdaad sneller dan proberen ons in het Albanees duidelijk te maken waar het is. We gaan van de hoofdweg af en banen ons een weg door het afval naar de flats. Ik ruik dan wel brood, maar zie nog geen bakker. We moeten onder in een flat een deur door en komen dan in de bakkerswinkel. Geen ramen, alleen een toonbank en manden met brood. Einde boodschappen doen en op naar ons ontbijtplekje.

Dag 4: Bajram Curi – Peĉ  (Kosovo).

Daar bekijken we ook onze route voor vandaag. We ontkomen niet aan een stuk asfalt. Maar het moet mogelijk zijn nog vóór de grens met Kosovo ergens linksaf te slaan en een stuk door de bergen te fietsen. Ik moet zeggen dat dat er op de kaart aantrekkelijker uitziet dan in werkelijkheid. De Dinarische Alpen zijn indrukwekkend en lijken niet eenvoudig te bedwingen. Maar ik wordt gered. We missen de afslag en staan dan ineens aan de grens. Paspoort!

Er staan twee douane-beambten. De een is een wat oudere man, nog uit het communistisch tijdperk. De ander, duidelijk de baas, is al getraind in klantvriendelijkheid en spreekt zelfs Engels. De communist vraagt onze paspoorten en neem deze mee naar een kantoortje. Hij komt terug. Er is een probleem: wij hebben geen stempel van binnenkomst. Waar zijn we Albanië binnengekomen? Tja, dat staat niet op onze kaart (kopie google maps), het was nog eens tuk zuidelijker en nee, we hebben geen stempel gehad. Helaas kunnen we ons de naam ook niet herinneren, dat is een beetje moeilijk voor ons als buitenlanders. De communist twijfelt. Hij neigt naar terugvallen in zijn oude patroon: dit kan niet! Gelukkig neemt de jongere het over. Hij wuift de bezwaren weg en wenst ons een goed reis.

Honderd meter verder komen we bij het douanekantoor van Kosovo. Een en al vriendelijkheid. De dounier vraagt of we een stempel willen. Ik zeg gretig “ja”, want ik ben dol op stempels. Daarna waarschuwt hij: hou er rekening mee dat je met zo’n stempel in je paspoort de Servische grens niet overkomt. Servië erkent Kosovo niet. Geeft niks, zeg ik , want ik ben niet van plan die grens over te gaan. René ziet echter wel een beer op de weg: hij vliegt vanuit Sarajevo via Belgrado terug. Ik wuif dat weg met de redenering dat hij alleen in transit is en dus Servië niet binnengaat. Helemaal zeker ben ik daar niet van, maar ja, ik wil wel graag dat stempel!

We fietsen weer honderd meter en stoppen bij een koffiehuisje. Hebben we wel verdiend., vinden we. We moeten het doen met Turkse koffie (veel drab) en informeren in ons beste Servisch naar de mogelijkheid om het onverharde pad achter het koffiehuis te nemen. Nee, dat is onmogelijk! Levensgevaarlijk. Beren en wolven in het bos, geen schijn van kans om te overleven. Grappig is dat enerzijds prikkelt om dat pas toch maar te nemen, maar dat we uit een soort beleefdheid besluiten voorlopig de weg te volgen.

Het komt er uiteindelijk op neer dat we verhard afdalen en in het dal op zoek gaan zandpaden die ons via achteraf paadjes naar Peĉ brengen. Via kleine gehuchtjes, een kerkhof en vele afvalhopen komen we daar ook. Uit fiets-oogpunt geen aantrekkelijke route, maar ja, je fiets wel in Kosovo!

Peĉ valt tegen. Groot en druk, end at zijn we niet meer gewend en willen we ook niet. Na een bak koffie op naar de toeristeninfo. Er ligt hier namelijk wel een uitdaging te wachten. Vanuit Peĉ kun je over de Cakorpas naar Montenegro fietsen, door een naar verluid schitterend dal.  Je kunt daar niet met de auto de grens over, dus is het een ideale fietsroute. Maar we hadden vooraf iets gelezen over gesloten grens en grenswachten en terugsturen. Echter, het alternatief is ook niet aantrekkelijk: tientallen kilometers omrijden via een redelijke grote autoweg. Nog maar even navragen bij de Tourist Office. We moeten daar toch naar binnen om een hotel te zoeken. Eentje buiten Peĉ, want we willen niet in de stad blijven. De man van de Tourist Office weet te vertellen dat er, zo’n 10 kilometer het dal in, verschillende hotels zijn. Hij vertelt ook dat de grens echt gesloten is “for political reasons”. Hij weet zeker dat als we er al in slagen om de grens te bereiken, we terug gestuurd zullen worden door de Montenegrijnse grenswachten. Daar sta je dan. We willen niet in de stad blijven, maar als we de alternatieve grensovergang moeten nemen, kunnen we beter niet nu nog het dal inrijden. Hoe groot zou de kans zijn dat we terug gestuurd worden? Na veel wikken en wegen besluiten we het er maar op te wagen. We fietsen het dal in en vinden hotel Gryka. We huren een cabine, drinken een welverdiend biertje, eten een hapje, bekijken de 2 bruine beren in de betonnen kooi en praten nog heel veel over wat er morgen kan gebeuren. Het wordt weer duidelijk da t een transbalkan toch echt iets anders is dan een transalp!

Dag 5: Peĉ – Andrijevica (Montenegro).

 ‘s Ochtends nodigt de eigenaar ons uit voor een kopje koffie. Ook bij hem proberen we te peilen hoe zwaar bewaakt de grens is. Helaas spreekt hij nog geen 10 woorden engels en wij nog minder servisch. Fietsen maar.

Zonder problemen bereiken we, via een weinig gebruikt bospad de grens: drie grote betonblokken en een paar kuilen maken de grens onneembaar voor auto’s. Wij maken een foto en gaan door naar de pas. Zeer op ons hoede. Eén keer meen ik er een te zien,met geweer, hoog tegen een bergwand over het dal uitkijkend. Het blijkt bij nader inzien een opening in de rotswand te zijn. Maar die opening heeft zeker wel watr overeenkomsten met een gewapende grenswacht.

De pas ligt in de mist. Dat draagt zeker bij aan ons gevoel van onbehagen. Een oude grenspost is kapot geschoten. Overal nog kogelgaten. Nog geen grenswacht gezien, maar we voelen ons nog niet zeker. Dat gevoel komt pas als we in de (lange) afdaling de eerste zijweg gepasseerd zijn. Een enkele verbaasde boer, dat is alles wat we zien op onze afdaling Montenegro in. In het eerste dorpje (Murino) stoppen we, totaal verkleumd, snakken naar een kop koffie met een plak Milka. We blijken Frans te kunnen spreken met de eigenaar. Raar land.

Na de koffie door het rivierdal naar Andrijeivica. Daar hebben ze een bikershotel  (Komovi). Een prima hotel, een eigenaar die vloeiend Duits spreekt, maar weinig gasten.

We zijn vroeg voor ons doen. Slechts 65 kilometer gefietst, één klim. We veel gezweet…..

We lunchen in Andrijevica en besluiten wat warmere kleren te kopen. Er is één kledingwinkel in het dorp. We vinden allebei een t-shirt met lange mouwen en René ook een stretchbroek. Zo een die je eigenlik alleen op de camping aan kunt en dan nog alleen maar als je vrouw bent. De verkoopster had een leuk half uurtje.

Dag 6: Andrijevica – Kolasin (Montenegro).

We beginnend e dag rustig. Door het dal, grotendeels over zandpaden lang  de rivier naar Berane. Daar gaan we aan de koffie. Bij de bakker naast het terras haalt René wat te eten. Hij komt terug met de bakker: deze heeft jaren in Nederland gewoond (Ermelo o.a.) en spreekt nog prima Nederlands. We doen samen een bakkie.

Daarna gaan we serieus aan het werk. Berane uit, de bergen. Het begint even pittig, maar al snel is het goed te doen en genieten we volop van de omgeving. René heeft een route gevonden die ons via het nationaal park Biogradska Gora naar Kolasin brengt. Een tweede stop maken we in Lubnica. Even een orthodox, net nieuw gebouwd kerkje bekeken. Vervolgens wat eten halen in een barretje annex winkel. Uit de bar komt een politieagent op ons afgestapt. Hij begint vriendelijk met ons te praten in gebrekkig Duits. Hij vindt het prachtig wat we doen, maar onbegrijpelijk. Maar goed we, moeten echt met hem een biertje drinken. Zelf heeft hij er al een paar gehad. Het is 12 uur. Onder het mom van “we moeten nog fietsen” slaan we zijn aanbod af. Daarna gaan we serieus omhoog. Via prachtige weggetjes komen we uiteindelijk bij het Biogradsko Jezero, een klein meer op ruim 1600 meter. Vanaf daar volgt een steil stuk, zo steil dat we moeten wandelen. We komen boven een sneeuwhelling uit met prachtig uitzicht op het jezero (“meer” in het Servisch). We blijven nog een hele tijd op hoogte, slechts begeleid door het gezang van een herder. Uiteindelijk vallen we naar beneden, via een ski-oord naar Kolasin.

Dit ziet er al redelijk toeristisch uit. Alleen niet nu. Zal wel alleen voor de wintersport zijn. We worden aangesproken door een jong meisje. Of we een kamer zoeken. Ja dus. Wij mee. Papa en mama zijn bereid een kamer vrij te maken voor ons (oma op zolder?). Helaas, voor een ontbijt kan ze niet zorgen. Alles afwegend besluiten we toch maar voor een hotel te kiezen. Effe douchen, kleren aan het raam hangen en op naar bier, pizza en ijs. Bij terugkomst grote schrik. Het fietsshirt va René is foetsie. In eerste instantie gaan we er vanuit dat het met hanger en al van het raam af gewaaid is. Maar ja, dan zou je het beneden moeten vinden. En dat lukt niet . Zelfs niet met behulp van de zaklamp van de buren. En ja, je kunt vrij makkelijk vanaf de staart bij het raam komen. Souvenirjagers? Zo heel fris ruikt dat shirt niet meer….

Gelukkig schijnt ’s ochtends de zon weer en gaat het zoeken ook eens tuk eenvoudiger. En ja, daar ligt de vuile was…… Aankleden, ontbijten en weer op pad!

Dag 7: Kolasin – Zabljak (Montenegro).

Vandaag een veelbelovende route. We hebben thuis al wat voorpret gehad dankzij een routebeschrijving met foto’s in een MTB-routeboek. We fietsen Kolasin uit in Noordwestelijke richting. We zoeken daar het dal van Lipovo op. Dat begint met een asfaltweggetje langs een paar boerderijen en natuurlijk een riviertje. We rijden richting het einde van het dal. Daar ligt de klim naar de Sinjajevina. Een prachtige, vrijwel verlaten hoogvlakte (1500 – 1800 meter). Grasvlaktes met veel stenen. Af en toe een kudde koeien, paarden of schapen. En een enkele Katun (boerderijtje dat alleen in de zomer bewoond wordt). Weinig koffiedrinken vandaag. Wel pech. Nog onder in het dal trek ik door mijn achterrem heen. De olie is er uit gelopen. Dat betekent alleen nog een voorrem. Balen natuurlijk, maar al gauw wordt me duidelijk dat er geen andere mogelijkheid is dan door te fietsen met die ene rem. Vermoedelijk is er in de wijde omtrek van Kolasin geen fietsenmaker te vinden die dit kan repareren. Gelukkig moeten we in het begin vooral klimmen. De pas nar de hoogvlakte lig op zo’n 1800 meter. Ik moet gewoon wat voorzichtiger afdalen! Jammer, want dat is  nou net m’n enige sterke punt (in vergelijking met René dan). De klim is prachtig. Je rijdt richting een muur waarbij ik me regelmatig afvroeg hoe we daar in ´s hemelsnaam overheen moeten. Maar zie, er ligt een pad met steeds mooiere vergezichten. De hoogvlakte is bijzonder om te fietsen. Af en toe is het spoorzoeken, zo weinig pad is er. En op een gegeven moment struinen we maar gewoon door het gras. Geen idee waar het pad is gebleven. Af en toe zitten er wel erg veel stenen in ons pad. En dan is 30 km stuiteren wel erg veel. We zijn dus blij als we op de zandpaden komen die in de buurt van Zabljak lopen. Na een laatste steil klimmetje rijden we Zabljak binnen. En vrijwel meteen vinden we een `zimmer frei`. We krijgen een appartement met maar liefst 7 bedden. We hoeven dus geen ruzie te maken wie waar slaapt. Vlakbij is een bijzonder ongezellig terras waar een lokale schoonheid, helaas zonder noemenswaardig gebit ons bedient. Ren´scoort nog wat worst en we voelen ons weer helemaal het mannetje. Zeker als we later ook nog een leuk restaurantje vinden met een vrolijke ober die zijn talen spreekt. Zabljak ligt aan de voet van het Durmitor-gebergte en blijkt in de zomer nogal wat wandelaars te trekken. En die weten weer allemaal dit restaurantje te vinden. Daarna op zoek naar een kroeg met tv, want er is weer voetballen. We vinden slechts een kroeg waar roken is toegestaan. En zover gaat onze voetballiefde niet. Dan maar vanuit één van onze 7 bedden naar het zeer slechte beeld van de eigen tv kijken. We hebben het einde van de wedstrijd niet gered.

Dag 8: Zabljak – Foςa (Bosnië en Herzegowina)

We gaan vandaag via de Durmitor over het dak van onze Transbalkan naar ons laatste land, Bosnië. René wil heel graag nog een keer illegaal de grens over. Dit zou betekenen dat we een doorwaadbare plaats moeten vinden in de rivier de Tara. En dat dan in de buurt van de plek waar de Tara de diepste kloof van Europa heeft gesleten. Dus nog een extra klimmetje met zo’n 1000 hoogtemeters. Je begrijpt dat de discussie over de noodzaak van een illegale grensovergang nogal wat kilometers in beslag neemt. Gelukkig is er onder weg veel te genieten. Om te beginnen de klim naar de pas. Weliswaar asfalt, maar schitterende gezichten op een langzaam uit beeld verdwijnend Zabljak, onder het toeziend oog van de besneeuwde toppen van de Durmitor. Valk voorbij de top beleeft René zijn hoogtepunt. Wegwerkers zijn bezig geweest om markeringen voor herstel aan te brengen. Toen ze daar mee klaar waren hebben ze de spuitbus met verf gewoon in de berm gegooid.  Ik zie hem liggen en denk “jammer, dat afval”. René ziet hem liggen en denkt: ”Leuk daar kan ik iets mee!”. Nu staat er op de weg te lezen dat Ton en René daar waren op 8 juli.

Daarna verlaten we het asfalt en duiken een smal dal in. Daar in de diepte ligt weer een jezero. Omgedoopt tot het neefjes-meertje (“neefje” is Gronings voor mug, zegt René). Daar even een reep gegeten en snel weer verder. Idyllisch plekje maar teveel neefjes. Een pittig klimmetje van zo’n 5 kilometer brengt ons aan de andere kant van het dal. Vanaf daar gaan we over kleinere asfaltweggetjes richting het Taradal. Eenmaal daar boven aan gekomen moeten we definitief beslissen: illegaal of gewoon naar Bosnië. De onzekerheid of je te voet de rivier over kunt, samen met de zekerheid dat je dan nog een pittige extra klim krijgt, ook als je de rivier niet over kunt, doet ons besluiten de regulier grensovergang te nemen. Ook dat blijkt een boeiende variant in de serie grensovergangen. We duiken het dal in en komen uiteindelijk op een T-splitsing. Rechts ligt de brug over de rivier met aan de andere kant de Bosnische grenspost. Links zien op 50 meter de Montenegrijnse grenspost . Daar moeten we natuurlijk langs, maar volgens het verkeersbord mogen we niet linksaf. We staan dus op een stukje niemandsland. We melden ons braaf bij de Montenegrijnen, mogen het land uit, melden ons bij de Bosniërs, die er vervolgens geen probleem mee hebben om ons binnen te laten. Wat volgt is nog zo’n 25 kilometer asfalt langs de rivier tot in Foςa. Een beetje een raar stadje. Met uiteindelijk slechts één wat vervallen hotel.

Douchen, biertje drinken en afspraak gemaakt om ’s avonds de finale van het WK-voetbal te gaan bekijken. En ja hoor. Ze hadden keurig 2 krukken voor ons vrij gehouden, recht voor het scherm. Helaas was het zo’n projectiescherm met wazig beeld. Wij dus toch maar verkassen. Dat werd geen succes. Beter beeld dan de wedstrijd verdiende en een chagrijnige serveerster.

De hele avond geprobeerd met Annette in contact te komen. Die zou namelijk met de kinderen op deze zondag in Sarajevo aankomen. Wat er mis is gegaan weet ik niet, maar telefonisch kon ik geen contact krijgen.

Dag 9: Foςa – Sarajevo (Bosnië en Herzegowina).

Een karig ontbijt van een keurige ober. Proviand (en water) inslaan bij een kiosk en op pad. De bergen in. Eerst een asfaltweg die steeds smaller (en slechter) wordt. Veel kapot geschoten huizen. Wel vaak geflankeerd door een vrij recent gebouwde woning. Alsof het de moeite niet loont om de bouwval op te ruimen. Ook komen we hier waarschuwingsbordjes tegen: landmijnen. Het is hier niet veilig om van de weg te gaan. Nu waren we dat ook niet van plan, maar zo wordt zelfs een plasje doen nog spannend! We komen langs nieuwe en oude islamitische begraafplaatsen, een nieuwe moskee en op het eind van het dal, in de middle of nowhere, een nieuwe orthodoxe kapel. Er is duidelijk geld gestopt in de wederopbouw.

Na een pauze op de stoep van de kapel maken we een foutje. In plaats van onverhard verder te gaan door de heuvels, komen we in een afdaling terecht die via nieuw asfalt uitkomt op de verharde weg naar Sarajevo. We hebben de puf niet om om te draaien en dezelfde weg omhoog te klimmen. Het is warm en zo langzamerhand is de animo weg. Dit zorgt er ook voor dat we onze laatste klim (de berg Igman) links laten liggen: het is mooi geweest. We rijden verhard de buitenwijken van Sarajevo in. Ook daar hebben veel flats nog kogelgaten. We zijn ruim op tijd (15:00 uur) op de camping. Met als gevolg dat ons ontvangstcomité nog ergens in een zwembad ligt. Gelukkig weet René een liter ijs te versieren.  Probleemloos lepelen we die op: verdiend!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.